Kleding

In eerste instantie droegen de gevangenen gestreepte boevenpakken. Maar omdat hun aantal voortdurend bleef stijgen moest men zijn toevlucht nemen tot burgerkleding, veelal afkomstig uit joods bezit. Er kwamen voortdurend grote groepen nieuwe gevangenen binnen en degenen die de kleren uitgaven hadden geen tijd om te onderzoeken of iedereen wel de goede maat had.?Degenen die te grote kleren kregen waren goed af; een mouw of een broekrand kon altijd worden omgeslagen. Maar het was slecht voor de jongens die te kleine kleren kregen, waardoor hele stukken delen van het lichaam niet of nauwelijks bedekt waren. En dat was bij slecht weer natuurlijk geen pretje. De aldus uitgedoste gevangenen zagen er doorgaans ietwat potsierlijk uit. Maar dat was de bedoeling ook; de gevangenen moesten hun persoonlijkheid kwijtraken. Het moesten schooiers worden, die ver beneden de SS-ers stonden, met hun smetteloze uniformen en hun glimmend gepoetste laarzen. Het was een proces dat bewust werd toegepast. Een vooraanstaand industrieel, vervallen tot een sjofele uitgehongerde stakker; dat gaf de heren een kick.?Het was daarom verstandig een hoge functie of een adellijke afkomst voor de SS te verzwijgen; maar al te dikwijls kozen zij uit deze groepen hun slachtoffers.??In plaats van sokken werden voetlappen uitgereikt; allerlei soorten klompen en klompschoenen dienden als schoeisel. Goede schoenen waren er alleen voor degenen die daarvoor betalen konden.?Klinkende munt kwam daar niet aan te pas; geld was er bijna niet in het kamp. Er werd dus over het algemeen betaald in natura; eten of tabak. En dat waren dingen die de gewone gevangenen nu juist niet hadden zij waren ertoe veroordeeld te hobbelen op de onmogelijke klompschoentjes die werden verstrekt. Deugdelijke sokken waren er ook alleen maar voor de elite. Zo kwam het dat de meesten strompelden met wonden aan hun voeten. Die gingen etteren en wilden moeilijk of niet genezen.?Ook een trui was een luxe-artikel; de kampkleding was gemaakt van een soort dunne kunststof die nauwelijks bescherming bood tegen de koude. Slechts weinigen konden zich in het bezit van een trui verheugen. De prominenten, de voorlieden (kapo's), de blokoudsten; de elite die het in kamp voor het zeggen had. En zij waren degenen die die warme kleren het minst nodig hadden. Tijdens het werk vonden die wel een plekje waar ze tegen de elementen konden schuilen; in de barak eisten ze de beste plaats op, vlak bij de kachel.??Het was begrijpelijk dat de gevangenen probeerden hun leefomstandigheden te verbeteren. 0pmerkelijk is hoe inventief mensen onder zulke extreme omstandigheden worden. Van een stukje ijzer wordt een mes gemaakt, pakpapier wordt toiletpapier en er wordt van alles bedacht om ook de kleding wat te verbeteren.?Er waren zelfs handige jongens die het presteerden om ergens in een werkplaats gebruiksartikelen als sigarenaanstekers te maken; prima materiaal voor de ruilhandel!?Verschrikkelijk waren dan de momenten dat de SS iedere gevangene bij de terugkeer van het werk bij de poort op dergelijke contrabande fouilleerde. Filzen noemden ze dat. Alle kostbaarheden werden afgenomen; en als de overtreder er af kwam met een pak ransel dan mocht hij blij zijn. Maar zijn spullen, waaraan hij zo lang en met zoveel liefde had gewerkt was hij kwijt.

De gevangenen waren kenbaar aan twee lappen die op hun kleding waren genaaid, een horizontale witte lap, met daarop het gevangennummer en daaronder een driehoek, waaraan de nationaliteit kon worden herkend.

F voor Frankrijk, B voor België, I voor Italië etc. De Nederlanders droegen de H van Holländer. (De Noren hadden de N.)    Aan de kleur van de driehoek kon de categorie worden afgelezen. De meeste gevangenen hadden de rode driehoek (politiek), de beroepsmisdadigers groen, homoseksuelen roze, asocialen zwart en Jehova's getuigen paars.???