Straffen

Het was Theodor Eicke, een van de eerste commandanten van Dachau die uitdacht niet alleen hoe de gevangenen het leven zo zuur mogelijk kon worden gemaakt, maar ook op welke manier dat moest gebeuren. Zijn richtlijnen werden later in alle kampen doorgevoerd.
Voor de minste vergrijpen als: bed niet goed opmaken of te laat komen voor het appèl kon men worden veroordeeld tot 25 stokslagen "Fünfundzwanzig am Arsch". De gevangene werd dan op een houten bok vastgebonden en nadat zijn broek omlaag was getrokken kreeg hij 25 zware slagen met een twee meter lange knoet of een bezemsteel. Het was de bedoeling dat hij iedere slag hardop meetelde, maar dikwijls was het slachtoffer daartoe al na de vijfde of zesde slag niet meer in staat. Dat was in veel gevallen aanleiding om de straf nog met een aantal slagen te verhogen.
En dan hing het er maar van af waar de stok de man raakte. Soms werd te hoog geslagen -al dan niet opzettelijk- en werden hierdoor de nieren ernstig beschadigd. Veel gevangenen, ook Nederlanders zijn daaraan nog jaren na de oorlog bezweken. Fünfundzwanzig am Arsch was een publieke aangelegenheid; het hele kamp stond daarbij aangetreden.

Hetzelfde gold voor de hangpartijen; werd er iemand opgehangen dan moest iedereen daar bij zijn. "Om de schrik erin te houden" heette het. De reden van dergelijke doodvonnissen bleef over het algemeen duister.
In veel gevallen kreeg de veroordeelde alvorens te worden opgehangen nog eens een pak slaag.
Het was een schouwspel dat de andere gevangenen gelaten aanzagen; het was een niet ongebruikelijk verlengstuk van het appèl, en binnen wachtte het brood... Andere straffen werden niet in het openbaar voltrokken; als een gevangene werd gefusilleerd dan gebeurde dat in het algemeen bij de bunker -de kampgevangenis- of bij het crematorium.

Daar vond ook het zogenoemde "boomhangen" plaats. De slachtoffers werd de handen op de rug geboeid en werden vervolgens aan hun handen aan een boom of een paal opgehangen. Zo bleven zij uren achtereen hangen; het spreekt vanzelf dat dit ondragelijke pijnen veroorzaakte. In de meeste gevallen hield men er blijvend letsel aan de schoudergewrichten aan over. Een straf die zó beestachtig was dat hij wel moet zijn uitgedacht door een zieke geest.

Het kamp was omringd met een betonnen muur, een prikkeldraadversperring, een loopgraaf en een grasstrook, geheten de Neutrale Zone. Als men die betrad schoot de SS van en wachttoren onmiddellijk.


Tot het SS-vermaak behoorde het pet-gooien: Een wachtsman nam een gevangene zijn muts af en gooide die in de verboden zône. "Ga je pet halen!" klonk dan het bevel. Als de gevangene weigerde, schoot de SS-er hem neer; volgde hij het bevel op, dan betrad hij het verboden gebied en werd hij vanaf een van de wachttorens doodgeschoten.
Verder was er nog de gevreesde "Stehbunker", de strafcel die zó klein was dat de gevangene er niet kon zitten of liggen.

De minste straffen waren het uren of dagen buiten staan of hurken in de vrieskou of het inhouden van eten.
Bij de SS-ers en kapo's die deze bestiale straffen uitvoerden was nimmer iets te bespeuren van medelijden of tegenzin. Integendeel, het waren primitieve bruten en dit was hun opvatting van amusement.