Algemeen

Het leven in het concentratiekamp was zwaar, onnoemelijk zwaar. Zo zwaar dat een groot percentage van de gevangenen het niet heeft overleefd. Daarbij moet worden opgemerkt dat het gemiddeld genomen om jonge mensen ging die bij hun arrestatie in een goede lichamelijke conditie verkeerden.

Toen in 1933 de SS de bewaking van het kamp overnam trad die zo onmenselijk bruut tegen de weerloze gevangenen op dat al gauw de eerste doden vielen. Was in die eerste jaren het eten nog redelijk, het is door de jaren heen steeds minder geworden tot er in de laatste jaren van de oorlog veel mensen gewoon van de honger stierven. Ook de kleding was van een inferieure kwaliteit en de gevangen hadden dan ook in de winter erg van de koude te lijden. Er werd een systeem ontwikkeld om gevangenen het leven vrijwel onmogelijk te maken. Onvermoeibaar waren de SS-ers in de weer met hun sadistische kwellingen. Geen moment werden de gevangenen met rust gelaten. Het hield nooit op.
Zo konden bijvoorbeeld de toch al volstrekt uitgeputte gevangenen midden in de nacht uit hun bed worden gehaald om loodzware en overvolle vaten met uitwerpselen weg te brengen en buiten te ledigen. Doodmoe en ernstig vervuild konden zij na afloop weer gaan liggen, om er korte tijd later weer te worden uitgehaald om te worden bestraft voor het feit dat zij niet schoon waren. Voor de minste overtredingen werden zware straffen uitgedeeld.
Rampspoedig waren ook dagelijkse appèls; iedere ochtend en iedere avond opnieuw moesten de gevangenen worden geteld. Dat kon soms uren duren, bij weer of geen weer.
Naarmate de oorlogsjaren verstreken werd het in het kamp voller en voller; doordat steeds meer kampen werden bevrijd en de bewoners naar Dachau werden overgebracht ontstond daar stilaan een verschrikkelijke overbevolking.