Classificatie

In 1941 kregen de bestaande concentratiekampen een classificatie. Dachau en Buchenwald kregen de categorie 1. Ook prof. De Jong constateert in deel 8 van zijn standaardwerk "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog" dat Buchenwald en Dachau in die tijd iets "betere" kampen waren. In de dertiger jaren was Dachau daarentegen een berucht kamp, waar vooral de joodse gevangenen het zeer slecht hebben gehad. Dachau werd bovendien in 1941 aangewezen als de plaats waar verzwakte gevangenen enige tijd op verhaal konden komen, om daarna weer hetzij in Dachau of elders in het arbeidsproces te worden opgenomen.

De naar Dachau getransporteerde zieke en verzwakte gevangenen werden daartoe enkele weken in zgn. quarantainebarakken opgesloten. Zij hoefden niet te werken of op appèls te staan.
Lang niet allen herstelden zich echter; velen bleven ziek in Dachau, en velen stierven er alsnog. TBC-patiënten bijvoorbeeld zijn niet met enkele weken rust te genezen.
Onder deze ziekentransporten bevond zich ook een aantal Nederlanders, leden van de verzetsgroep "De Geuzen". Zij waren in de kampen Buchenwald en Gross Rosen zodanig mishandeld dat zij totaal verzwakt in Dachau arriveerden. De meesten van hen hebben zich weten te herstellen en zijn in Dachau gebleven.
Tot mei 1944 waren er in Dachau niet meer dan 200 Nederlanders. Dat aantal nam drastisch toe toen in die maand ± 655 Nederlanders uit Vught naar Dachau kwamen. In september van dat jaar werd het concentratiekamp Natzweiler in de Elzas in zijn geheel geëvacueerd naar Dachau. Hierdoor steeg de sterkte van het toch al overvolle kamp in één klap met 7000 man, onder wie enkele honderden Nederlanders.