Hoornik

Op 21 april 1965, 20 jaar na de bevrijding gaf de auteur Ed Hoornik in het NCRV-televisieprogramma Literair Tijdschrift zijn indrukken weer van de dag van de bevrijding van het concentratiekamp Dachau.
 


Zondagmiddag 29 april 1945, concentratiekamp Dachau.
De gevangenen, ruim dertigduizend, zijn in de barakken; de helft ziek, honderden stervend. Of nét gestorven; dat is niet zo makkelijk te zien. "Wer noch lebt soll sich melden!" schreeuwde gisteren een man van de kamppolitie toen het transport uit Buchenwald werden uitgeladen. En kijk, uit de achthonderd omgevallen skeletten kwamen zowaar nog een paar staken omhoog.

De Amerikanen moeten nu vlakbij zijn. Het kanongebulder is opgehouden en ook de duikvliegers zijn weg. Bij de ingang van het SS-kamp hangt een witte vlag. Je kunt hem van de appèlplaats af zien, wordt er gezegd; maar niemand kan er kijken want het parool is: binnen blijven.

Wat betekent die vlag? Overgave? Maar de wachttorens zijn nog bezet met SS en de mitrailleurs staan naar binnen gericht, naar het kamp, naar ons.

En op de tafel van de kampcommandant -maar dat weet ik op dat moment nog niet- ligt een telegram, ondertekend Heinrich Himmler:
Übergabe kommt nicht im Frage. Das Lager ist sofort zu evakuieren. Kein Häftling darf lebendig in die Hände des Feindes fallen.

Ik zit in barak 14, tussen Polen en Fransen. Het klokje van de kameroudste wijst half vijf. We zeggen niets. We zijn gespitst op ieder geluid van buiten.
Plotseling, luchtalarm. Het klinkt anders, langer dan straks. Verbeelding? Nee. Iemand die het weten kan zegt: "Pantzerspitze im Angriff". Dus toch!
Ik voel iets over mijn ribben lopen en ga naar de slaapzaal. Staand kleed ik mij uit en onderzoek mijn lichaam op luizen, en ook mijn kleren. Stel je voor dat ik op het nippertje toch nog vlektyfus...
Op dat moment hollen langs het raam de eerste gevangenen voorbij En daar stromen van alle kanten, uit alle straatjes tussen de barakken de gevangenen naar de appèlplaats.

Uit de wachttorens wordt geschoten, niet op het kamp maar op de langzaam van boom tot boom naderbij sluipende Amerikanen. Ze zijn op het rangeerterrein de goederenwagons al voorbij, gesloten wagons waaruit geen geluid meer komt. Vijf dagen geleden zijn hier tweeduizend joden ingedreven. Ze zouden geëvacueerd worden. Het is mislukt; alle tweeduizend zijn dood, gestikt.
De soldaten zijn nu ook het crematorium voorbij waar de lijken, omdat er geen kolen meer zijn, manshoog liggen opgestapeld. Uit de wachttoren die ik zien kan tuimelt een neergeschoten SS-er. Anderen lopen nu met de handen omhoog.
En dan ineens staat daar in de poort van het kamp de eerste Amerikaan. "Hello boys, here we are!" En dan begint het: het gejuich, het geschreeuw, het gebrul.
Aan stukken gescheurde portretten van Hitler en Himmler vliegen uit de ramen van de Kommandantur. Ik heb het gevoel alsof ik word opgetild. Ik brul, ik ben terug op de wereld.

Maar de zieken, de stervenden in de barakken, ze hebben het gehoord, maar ze willen het ook zien, het beleven. En dan staat daar ineens, door ons meegetroond, groot, zwijgend, niet wetend wat te doen, een Amerikaan tussen de britsen. Doodshoofden proberen zich op te richten, houten armen strekken zich naar hem uit. Ze willen hem aanraken en betasten.
De man legt zijn mitrailleur op een tafeltje en gaat tussen de bedden. Hij drukt handen links, handen rechts. De derde die hij omhelst is een dode. Hij loopt gewoon door naar de volgende, en weer naar de volgende.

Als hij de barak uit is begint hij te braken. Van de weeromstuit doe ik het ook…