Gevangenen

Hitler had een grote hekel aan de Joden en het liefste zou hij die allemaal kwijtwillen.Om te beginnen wilde hij ze het land uitgooien of anders opsluiten in de gevangenis. Op dat moment dacht nog niemand dat hij van plan was ze allemaal te laten vermoorden.
Er waren Duitsers die het helemaal niet met Hitler eens waren en die bang waren voor weer een nieuwe oorlog. Veel van die mensen werden door de politie opgepakt en in de gevangenis gezet.
Maar het waren er zó veel dat de gevangenissen al heel gauw vol zaten. De politie wist niet waar al die gevangenen moesten worden opgeborgen.
Daar hebben ze toen iets op gevonden; ze kwamen op het idee dat je al die mensen maar het beste samen in een groot kamp kon opsluiten. Allemaal barakken. Met bedden boven elkaar, prikkeldraad erom heen. En bewakers om te zorgen dat de gevangenen niet ontsnapten. Ze noemden dit een concentratiekamp.
Het eerste kamp werd gebouwd in Dachau, een klein stadje in de buurt van München, in Zuid-Duitsland.

In het begin was het daar wel uit te houden. Maar dat veranderde van de ene dag op de andere toen er andere bewakers kwamen. Het was de SS, een speciale legergroep die in de eerste plaats was opgericht als Hitlers persoonlijke lijfwacht. Het waren geen lieve jongens. Ze sloegen de gevangenen met zwepen en knuppels en ze hadden er nog plezier in ook. Het eten werd voortdurend minder en het prikkeldraad werd onder elektrische stroom gezet. Het leven werd heel zwaar in het concentratiekamp. Al heel gauw gingen er mensen dood van de ellende, de kou en de honger.